OPVOEDING EN KINDERRECHTEN

Onderstaande verhaaltje heb ik gevonden in een lesmap van filosoferen met kinderen. Het is geschreven door Gerda Dendooven en komt uit De Wondertuin (Querido, 2014). Lees maar mee.

De Wondertuin

“‘Ik zal jullie iets vertellen. Het is echt gebeurd. Het gaat over mij en mijn zussen: Mona, Rona, Dina, Nina, Dora, Flora, Zara, Zelda, Tina, Tinka en Renée. Mona had een varkenssnuitje, Rona scheve knietjes en Dina loenste. Nina liet stinkende winden, Dora had grote voeten (schoenmaat 46) en Flora baste als een hond. Zara had vlechten van stro, Zelda een deuk in haar neus en Tina bloosde heel snel. Tinka had een bultje op haar rug en Renée zuchtte voortdurend: ‘Oooo, ik verveel me zoooo…’

En het gaat over een koning, onze vader. Hij had twaalf dochters, wij dus. Twaalf prachtige bloemen. Van die vrolijk kakelende kippetjes. Onze mondjes stonden nooit stil.

‘Twaalf, dat is een voetbalploeg met reservespeler,’ zei de tuinman. ‘Da’s bijna een klasje vol,’ kraste juffrouw Tang. ‘Da’s veel,’ mompelde dokter Lombok, ‘want een mens heeft maar twee handen.’ Maar vader dacht: twee handen is meer dan één. Dus ging hij elke ochtend met twee van zijn dochters uit wandelen. Aan elke hand één. Vijf kilometer per dag. Zes dagen in de week. Behalve op zondag.

De koning was dol op zijn prinsesjes, maar hij was ook streng. We mochten in de tuin spelen, maar niet daarbuiten. We mochten feestjes geven, maar niemand uitnodigen. We mochten zelfs op dansles, bij juffrouw Tang, maar niet bij een of andere knappe dansleraar in de stad. Vader sliep niet voor hij ‘s avonds zijn dochters had geteld. ‘Eén, twee, drie… en allemaal aanwezig.’ Hij was zo bang om zijn mooie meisjes kwijt te raken. Ons dus!

Als zijn oogappels zouden trouwen, zou hij wel beslissen met wie, en wanneer en hoe laat en waar. Hij wilde zelfs onze trouwjurk kiezen. ‘Alleen het allerbeste is goed genoeg voor deze prachtige parels,’ zei hij elke dag tegen zijn kamerknecht. Zo slaagde geen enkele jongeman erin een afspraakje te regelen. ‘Nee,’ blafte de koning al van ver. ‘Ik zeg neen. Ja?? Neen dus! Begrepen?’ En hij stuurde ze allemaal weg.”

De opvoeding van je kind

Uit het bovenstaande verhaaltje komt naar voren dat de koning het leven van zijn dochters nogal bepaalt in vergaande zin. In de opvoeding bepalen ouders in de eerste instantie heel veel en wordt er in toenemende mate losgelaten. Het ‘kiezen’ komt dan ook steeds naar voren. In hoeverre is een kind in staat om voor zichzelf een goede keuze te maken en in hoeverre nog niet. In het verdrag voor de rechten van het kind staat dat kinderen vrij moeten zijn om hun mening te geven, vrij om te denken, dat er geluisterd moet worden naar de mening van het kind en dat kinderen in hun leven zich mogen ontwikkelen.

Binnen deze ontwikkeling vindt ook het kiezen plaats. Kiezen en hierin foutjes mogen maken. Van foutjes maken leer je dat je een volgende keer beter iets anders kan doen of iets misschien wel helemaal niet meer doet. Van foutjes groeien kinderen. Ze gaan weer een stap vooruit in hun ontwikkeling.

Artikel 27 in het kinderrechtenverdrag

De koning uit het verhaal is heel beschermend, te beschermend. Bescherming krijgen is een recht van het kind, maar te beschermend remt de ontwikkeling. Natuurlijk wilt hij het beste voor zijn dochters, maar daardoor vergeet hij dat zijn dochters ook recht hebben op een eigen identiteitsontwikkeling. Artikel 27 verwijst naar dat een kind recht heeft op wat hij/zij nodig heeft. Dit natuurlijk in brede zin. In algemene zin moeten ouders ervoor zorgen dat een kind moet kunnen doen en leren wat goed voor hem of haar goed is.

Je hebt recht op een huis om in te wonen, elke dag eten en drinken en kleren om aan te trekken. Dit zijn allemaal basisdingen die je nodig hebt om goed te kunnen opgroeien. Hier moeten je ouders voor zorgen. Als ze dat niet kunnen, moet de overheid je ouders helpen. – Artikel 27 kinderrechtenverdrag

Vragen die je aan jezelf kunt stellen

Vragen die ouders zichzelf kunnen stellen, zijn bijvoorbeeld als volgt. Hoe zorgen we samen ervoor dat ons kind/kinderen zich goed voelen? Wat moeten wij hiervoor doen of juist laten? Welk voorbeeld willen wij geven? Welke normen en waarden willen wij meegeven? In hoeverre komt onze eigen opvoeding overeen met deze normen en waarden? In hoeverre kiezen wij als ouders voor een eigen pad? Hoe geven wij vorm aan het recht op een eigen mening, het kiezen, het mogen leren, ontwikkelen en het vrije denken? Wat vinden wij een goede opvoeding?

Het is waardevol om eens in de zoveel tijd daar gezamenlijk bij stil te staan. Kinderen veranderen in stappen. Het zijn ontwikkelingsfases. Elke fase heeft zijn eigen uitdagingen, waardoor de balans even verstoord wordt. Om dan stil te staan bij dit soort vraagstukken helpt mee om helder te krijgen wat jouw kind nodig heeft op dit moment en de komende tijd. Tot de volgende fase zich weer aanbreekt.

Succes!

Met warme groet,
Drs. Marjolein van Dongen-Lapré, orthopedagoog